Als je voor het eerst over kamp praat, dan komt al heel snel het gesprek op heimwee. 'Zullen mijn kinderen daar geen last van hebben?' In de praktijk valt dat best mee. Ouders kennen hun kind natuurlijk het best en zij weten hoe hun kind reageert, als het ergens logeert. In het kennismakingsgesprek zal dat dan ook altijd aan de orde komen.
Vanzelfsprekend zal elk kind op kamp wel eens aan thuis denken en op momenten, dat het even moeilijk is - een valpartijtje, ruzie of 's avonds bij het slapen gaan - zal dat wat vaker gebeuren. De leiding zal signalen van de kinderen serieus nemen, maar het kind proberen af te leiden en op andere gedachten proberen te brengen: wat voorlezen, een spelletje of een wandeling met wat kinderen door het bos zijn manieren om het kind weer wat vrolijker te krijgen.
Soms is het echter nodig wat meer aandacht aan zo'n probleem te besteden. De leiding zal in principe niet toestaan dat het kind (onder de twaalf jaar) direct contact met zijn ouders opneemt; de leiding zal dat in eerste instantie zelf doen en aan ouders het probleem voorleggen. Meestal zijn de kinderen al een stuk gerustgesteld, als ze weten dat de leiding contact heeft gehad met de ouders: hun probleem is dan serieus genomen! Het kan zijn, dat het kind dan toch aan de telefoon kan komen; een bemoedigend woord van de ouders doet dan wonderen.
Ouders moeten in de voorbereiding thuis of anderszins ook nooit suggereren aan hun kinderen, dat ze deze zullen ophalen, als het niet lukt op kamp. De leiding maakt dan weinig kans om bij feitelijk kleine en overkomelijke problemen het kind de week door te helpen.
Als een kind echt heimwee heeft: niet eet, blijft huilen, zich verzet tegen de leiding en aan geen enkel spel wil meedoen, dan is er slechts één oplossing: naar huis en dan zal de leiding ook niet schromen deze oplossing te kiezen. Dat is voor alle partijen immers het beste!